De expansiedrift van de sculptuur
Begin jaren '60 zetten twee ontdekkingen de expansiedrift van de sculptuur in gang. De eerste is eigenlijk een herontdekking, te weten de herontdekking van de readymade van Marcel Duchamp, en de daaruit voortvloeiende gevolgtrekking dat alles kunst kan zijn. De tweede is meer een 'oog krijgen voor', en wel voor een eigenschap die heel lang onbenut is gebleven, namelijk dat beelden socialer zijn dan schilderijen.
Readymade


In 1912 brak Marcel Duchamp (1887-1968) met Nu descendant un escalier (1912) definitief door als schilder. Een jaar later stopte hij met schilderen en introduceerde hij zijn eerste readymades, kant-en-klaar objecten, zoals een fietswiel op kruk en een flessendroger. Duchamp heeft deze readymades niet zelf gemaakt, maar geselecteerd en gesigneerd. Daardoor hielden ze op gebruiksvoorwerp te zijn en werden ze onderdeel van het kunstdiscours om kort daarna te worden opgenomen in het domein van de kunst. Met zijn readymades stelt Duchamp authenticiteit en originaliteit aan de orde. Immers, ze kunnen hem niet 'uitdrukken' omdat maker en kunstenaar niet één en dezelfde persoon zijn. Ze kunnen dus nooit uiting geven aan zijn innerlijke roerselen.
Alles kan kunst zijn











Eerste crossovers
Om zich af te zetten tegen het formalisme van de modernistische schilderkunst pakten opeenvolgende na-oorlogse generaties van neo-avantgardisten de readymade op om te onderzoeken op zijn grensoverschrijdende mogelijkheden. Immers, na Duchamps uitvinding kan alles een kunstwerk zijn: het landschap, de natuur, het eigen lichaam, een actie, geluid, en zelfs een idee. Land art (‘marked site’ en ‘site construction’), sculptuurbouwsels, performance (living sculpture - Gilbert & George, en body art – Marina Abramovic), en actiekunst zijn de eerste crossovers van de sculptuur. Vanwege hun vaak tijdelijke karakter werden deze vastgelegd op foto en film, waardoor die registraties aanvankelijk ook tot sculptuur werden gerekend. Crossovers tussen al deze nieuwe categorieën resulteerden uiteindelijk in de multimedia installatie. De medium specifieke sculptuur had plaats gemaakt voor multidisciplinaire ruimtelijke kunst.









Crossovers schilderkunst < > sculptuur
De crossovers tussen schilderkunst en sculptuur werden in gang gezet door schilders die zich ook toelegden op de sculptuur. Zo voltrekt zich begin 20e eeuw bij Picasso een ontwikkeling van kubistisch schilderij via collage en reliëf naar wandsculpturen van muziekinstrumenten. Ook doorbrak hij als eerste het taboe op het beschilderen van beelden.
In de jaren ’60 zetten twee minimalisten vergelijkbare stappen. Bij Frank Stella (1936) voltrekt zich een ontwikkeling van minimalistisch schilderij, via ‘shaped canvasses’ en ‘irregular polygons’ tot postmoderne sculpturalisering van het schilderij. Donald Judd (1928-94) hield na WOII op met schilderen om zich toe te leggen op het maken van ‘specific objects’: driedimensionale objecten die kleur hebben en aan de wand hangen: noch schilderkunst, noch sculptuur, vond hij zelf; schilderkunst én sculptuur volgens anderen. Beide ontwikkelingen kregen veel navolging van beeldhouwers vaak in de vorm van commentaar op de schilderkunst.









Nieuwe crossovers
Zo heeft de sculptuur zich ontwikkeld tot ruimtelijk georiënteerde kunst. Naast de traditionele crossovers tussen sculptuur en natuur, architectuur, theater en tweedimensionale kunstvormen als schilderkunst, tekenen, grafiek, fotografie en (video)film, zijn er nieuwe crossovers bijgekomen tussen ruimtelijke kunst en wetenschap, life sciences, computertechniek en robotica, die worden aangeduid als onderzoekskunst, ‘bio-art’, ‘animatronics’ en computerkunst.
Sommige kunstenaars werken graag samen met niet-kunstenaars om allerlei soorten gemeenschapskunst te maken.
Rolverdeling













Tegelijkertijd kregen vooral beeldhouwers oog voor het feit dat een beeld anders dan een schilderij werkelijke ruimte en werkelijke tijd deelt met de kijker. Ze benutten die eigenschap door ruimte, tijd, en kijker bij het kunstwerk te betrekken.
De crossovers laten zien dat dit gevolgen had voor de traditionele rolverdeling tussen kunstenaar, kunstwerk en kijker. Zo kunnen kijkers een land-art werk pas overzien en ervaren door erin rond te lopen. Bij een performance heeft de illusie (de verwijzing naar een andere tijd en ruimte) plaats gemaakt voor de realiteit van een door performer en kijkers gedeeld hier en nu. Waar de kijkers naar kijken is geen opvoering van een toneelstuk, maar gebeurt echt. Soms krijgt de kijker een rol toebedeeld en wordt hij mede-acteur. Voor een installatie is de kijker helemaal onmisbaar, want IN de installatie verandert hij van kijker in participant, zowel onderdeel als medemaker. Hij is kijker en bekekene tegelijk. De privé contemplatie heeft plaats gemaakt voor publieke participatie. De kunstenaar is een soort regisseur op afstand geworden. Hij confronteert de kijker met een onverwachte situatie. Die situatie bepaalt de respons van de kijker. Maar de controle over de situatie, en daarmee over die respons, berust bij de kunstenaar.